|
|
|
Notaris Jan Klaasesz Dokkum:
Cornelis de Bree, procuratie door de weduwe 1816, in leven gehuwd met Petronella van As
Hof van Friesland, inventaris 5179. 18 maart 1797: CORNELIS DE BREE, afk. van DANTUMAWOUDE.
De Klager steld waar te zijn:
1. Dat Geesje Christiaans, huysvrouw van H. Swaagman, schoolmeester en dorprechter te Rinsumageest verklaard waar te zijn.
2. Dat op Saturdag den 4e februarij 1797 ten haaren huyse is gekoomen Cornelis de Bree en Rintje Poort, beide woonachtig te Damwoude.
3. Dat dezelve op een verwoede wijse van haar hebben afgedwongen haar mans exercitie geweer en patroontas.
4. Dat zij hen zulks gewillig heeft overgegeeven.
5. Dog dat die beide boosdoenders daar mede hun lust niet konden koelen.
6. Als hebbende Cornelis de Bree haar twee geweldige schoppen gegeeven.
7. En Rintje Poort eenige stooten met de vuyst op de borst.
8. Alles onder een ijsselijk gevloek.
9. Hebbende de Bree daar en boven gezegd: 'ik mogt dyn man voor een dikkop jenever de hals wel afsnyden'.
10. Dat de oproermaakers hierop de kerk en meer andere plaatsen bezogt hebben of haar man, dewelke na Leeuwarden was, konden vinden.
11. Dog dat zulks niet gelukkende zij eindelijk vertrokken zijn.
12. Nadat Cornelis de Bree eerst het slot met het geweer van de appelzolder heeft afgestooten.
13. Dat Geesje Christiaans na prelectie persisteerd bij haare depositie sub No. 1.
14. Dat Sjoukje Jans, huysvrouw van Johannes Rinses, tolman in de Valom onder Damwoude, verklaard waar te zijn.
15. Dat eenige weeken geleeden ten haaren huyse is geweest Jacob Jurjens, huysman te Zwaag Westeinde.
16. Dewelke destijds heeft gezegd: 'ik verwagt alle dagen oproer', dat de Boeremers op zullen komen, en ik als dan mede moet.
17. Dat op den 1e februarij 1797 ten haaren huyse is gekoomen Brand Minnes, koopman te Zwaag Westeinde.
18. Dewelke gezegt heeft dat het met 24 uur wel anders zoude zijn.
19. Dat hij het Gerecht niet telde.
20. En al wierd hij geciteerd dat hij dog niet zou compareeren.
21. Dat wijders de Poseerde in deesen is geweest een reisgenoot van de oproerig bende van den 4e februarij 1797.
22. Dat dezelve wanneer in de Valom was, bij haar in huijs is gekoomen.
23. En gezegd dat het huijs van Mr. H. Swaagman te Rinsmageest had gevisiteerd.
24. En wanneer dezelve, noemende hem Roode Duivel, had gekreegen, dat van zijne handen zoude hebben gestorven.
25. Dat wijders de Poseerde nog gezegd heeft dat hij het hondegat had opengeloopen.
26. Om te verneemen of de Roode Duivel daar ook in was.
27. Dat Sjoukje Jans na prelectie persisteerd bij haare depositie sub No. 2.
28. Dat Annigje Swaagman, huysvrouw van Johannes Lampe, woonachtig te Rinsmageest, verklaard waar te zijn.
29. Dat op Saturdag dan 4e februarij 1797 in haar huijs zijn gegaan, Oebele Ypes te Rinsmageest.
30. Met nog een ander persoon bij haar onbekend.
31. Dat zij zulks ziende, direct van huys is gegaan.
32. Wanneer de onbekende persoon, het exercitie geweer van haar man in de hand had.
33. Dat zij gevraagd heeft wie hun order had gegeeven om hetzelve te krijgen.
34. Waarop Oeble antwoorde: 'Ik mijzelfs, Blikzem'.
35. Dat dezelve mede na de Patroontas heeft gevraagd.
36. Dewelke zij hem heeft gegeeven.
37. Dat Oeble daarop gezegd heeft: 'Nu zal ik alle Patriotten vermoore'.
38. Dat de Getuijge wijders gehoord heeft dat de Poseerde gezegd heeft dat des getuijges, nader H. Swaagman te Rinsumageest aan vieren zoude te scheuren.
39. Dat Bergsma, schrijver, woonachtig te Damwoude, gesegd heeft: 'Wij willen na meester, als wij hem krijgen, dan zullen wij hem capot maaken'.
40. Dat Anne Heddes te Ackerwoude heeft gezegd: 'Wij zullen na meester, ik zal hem doodschieten, die roode Duivel'.
41. Dat Rienk Tobias te Ackerwoude gesegd heeft: 'Wij willen na meester, die willen wij hebben, als wij hem krijgen, die zal er aan'.
42. Dat Annigje Swaagman, na prelectie, persisteerd bij haare depositie sub No. 3.
43. Dat Jeltje Hendriks, huysvrouw van Evert Wouters, woonachtig te Rinsmageest, verklaart waar te zijn.
44. Dat zij op saturdag den 4e februarij 1797, wanneer buyten huijs stond, heeft gehoord dat de Poseerde gezegd heeft dat Mr. H. Swaagman te Rinsmageest aan vieren zoude te scheuren.
45. Dat Bergsma, schrijver woonachtig te Damwoude, gezegd heeft : 'Wij willen na meester, als wij hem krijgen, dan zullen wij hem capot maaken'.
46. Dat Anne Heddes te Ackerwoude heeft gezegt: 'Wij zullen na meester, ik zal hem doodschieten, die roode Duivel.
47. Dat Rienk Tobias van Ackerwoude heeft gezegd: 'Wij willen na meester, die willen wij hebben, als wij hem krijgen, die zal er aan'.
48. Dat Jeltje Hendriks, na prelectie, persisteerd bij haare depositie, sub No. 4.
Nicolaas Scheltema
Kollumer Oproer door J. A. Wagenaar te Buitenpost
|
|