|
|
|
Vonnis Cornelis de Bree:
Alzoo den Hoove van Friesland uit de confessie van Cornelis de Bree van Damwoude, oud 46 jaaren, teegenwoordig gevangen en anderszins genoegzaam gebleeken is, dat de gevangen op Zaturdag den 4e februarij 1797 in gezelschap van eenen Rintje Poort is geweest ten huise van H. Swaagman, schoolmeester en dorprechter te Rinsmageest, dat de gevangen gewapend met een pistool vandaar met een meenigte volks en als het hoofd van de oproerbende is gegaan na de Valom ten huise van Johannes Rinses, tolman aldaar, en gezegt heeft het huis van meester H. Swaagman te Rinsumageest te hebben gevisiteerd, en wanneer dezelve, noemende hem roode Duivel, had gekreegen, van zijn handen zou hebben gestorven, en verders gezegd, dat hij het hondegat had opengelopen om te verneemen of de roode Duivel daar ook in was. Dat de gevangen ook ten huise van Annigje Swaagman, huisvrouw van Johannes Lampe te Rinsumageest heeft gezegt dat hij haar vader H. Swaagman, aan vieren zoude scheuren.
Al hetwelk zijnde zaaken van kwaden gevolge en daarom anderen ten exempel, niet behoren te blijven ongestraft, zoo is 't dat het voorsch. Hof, op alles rijpelijk gelet en geconsidereert hebbende, hetgeene men in deezen behoorde te considereeren, in den naame en van wegens het volk van Friesland, den voorn. Gev. Heeft gecondemneert en condemneert hem bij deezen, omme bij den Scherpregter op het schavot geleijdet, aldaar wel strengelijk gegeesselt en daarna door de dienaeren van de Justitie te worden gebragt in het Landschaps Tugt en Werkhuis, om aldaar te werken, den tijd van vijf jaaren. Actum, den 18 maart 1797.
Kollumer Oproer door J. A. Wagenaar te Buitenpost
|
|